Glansverlangen

Door Tom
  • Voor het tweede jaar Schrijversvakschool schreef ik een kort verhaal. Dit is het eerste hoofdstuk, dat, denk ik, ook als losstaand stuk te lezen is. Het complete verhaal telt 30 pagina’s. Die bespaar ik je,

GLANSVERLANGEN

Ergens in je leven ligt er een abrupte scheidslijn, een cruciale drempel die je gek genoeg neemt zonder erbij na te denken. Het duurt lang voordat je erachter komt dat je in een andere realiteit bent beland, aan de verkeerde kant van een streep die je zelf nooit getrokken hebt. Je merkt wel iets aan de lucht om je heen, in de reacties van mensen op straat, maar je kan het nog niet benoemen. Een bepaalde ongemakkelijkheid blijft hangen. Tot je op een avond, smakelijk aangekleed, met een goed humeur en de juiste geur (twee sprietsjes, links en rechts aangebracht op dat plekje waar je nek overgaat in je schouders) de bar binnenstapt waar je zoveel avonden hebt doorgebracht. Waar je jongens oppikte, heel vroeger de wat oudere, later die van je eigen leeftijd en de laatste jaren vooral de aanzienlijk jongere. Deze avond wordt de ingang geblokkeerd door een kluitje begin-twintigers die druk gesticulerend met elkaar de merites van het laatste Kylie-album bespreken, een album dat ook jij lekker vindt klinken, als vanouds. Lachend attendeer je ze op het feit dat je er graag langs wilt.

En dan valt het kwartje. De jongens lachen niet met je mee. Hun ogen tasten niet, zoals je verwacht had, je lichaam snel en grondig af, van schouderpartij naar kruisgebied en terug. Ze gaan niet automatisch voor je opzij. Je moet ze attenderen op je aanwezigheid. Op dat moment besef je ook wat er veranderd is in de reacties van mensen op straat. Of: feitelijk afwezig is. Niet langer ben je een kans: een gezicht dat men scant, op zoek naar een flits van interesse, een glans in de ogen. In plaats daarvan ben je een bewegend obstakel geworden, waar men misprijzend omheen manoeuvreert. Een onaanzienlijke en overbodige bestaansvorm die ongevraagd de leefruimte van meer gerechtigde passanten doorkruist. Een oudere. De jongeren in die bar maken een smalle doorgang zonder zelfs hun gesprek te onderbreken. Afgeschreven vlees. Neus dicht en negeren.

Tom Kniesmeijer – glansverlangen

Hier fiets ik over de Vijzelgracht, oud. Mijn ogen tranen, van de zon en het stof in de lucht. Het is heerlijk weer, eigenlijk te warm voor maart. Gisteren twijfelde ik nog over die afgeknipte spijkerbroek. Gelukkig vond ik in de badkamerkast een oude tube gezichtsbruiner. Peter kocht hem voordat we naar Portugal gingen, zeker tien jaar geleden. De tube was nog dicht. Uiteindelijk was hij natuurlijk weer bang dat zijn gezicht oranje uit zou slaan. Zorgvuldig bracht ik een dun laagje aan op mijn benen. Gisterenavond herhaalde ik het procedé, voor de zekerheid. Met dank aan de proefdieren die hun leven offerden voor de wetenschap: mijn benen ogen vandaag minder fluorescerend wit.

Het asfalt duwt me voorbij de afslag naar kantoor, waar niemand op me zit te wachten. Voor ik het doorheb schiet ik het straatje bij het De L’Europe in (met dat heerlijke terras aan het water) en dan linksaf. Binnengasthuisterrein. Twee slordige fietsen met een blauw wiel schuif ik opzij, ze blokkeren het rek. Ik zet de mijne vast en struin langs de boekenstalletjes in de Oudemanhuispoort, de doorgang tussen twee grachten. Klassiekers, kunstboeken, studieboeken. Precies wat je verwacht bij een universiteitsgebouw. Zat hier niet altijd de rechtenfaculteit? Die boekverkopers zijn trouwens ouder dan ik. Nogal gênant eigenlijk, als je bedenkt hoe lang ze hier al staan met hun waar.

Op het terras voor de mensa zitten aan alle tafeltjes studenten. Twintig zijn ze. Hooguit. Ik trek me met een beker koffie terug op een eenzaam stoeltje in de schaduw naast de ingang en pak een boterham uit mijn tas. Humus op desem. Geintje van Peter. Had ik maar niet naar zijn buik moeten wijzen, tijdens dat etentje met Kees en zijn toyboy. Nou ja, wijzen. Ik duwde mijn vinger in zijn vetrand en toen ik hem terugtrok zei ik ‘plop’. Hij weigert sindsdien oude kaas of lekkere worst te kopen voor op brood. Ik had natuurlijk, net als de studenten om me heen, hier een warme lunch kunnen halen. Uitpuilende dienbladen lachen me van alle kanten toe. Jongeren kunnen ze beter verstouwen, die calorieën. Waar zouden ze het van betalen, de maaltijd, het bordje sla ernaast, het flesje water, de energiedrankjes en frappuccino’s? Ook de mensa is met zijn tijd meegegaan.

Tom Kniesmeijer – glansverlangen

Ik sluit mijn ogen tegen de felle zon en sta weer op de dansvloer van de Cockring. Vrijdagavond, vaste prik. Een nieuw millennium is net begonnen. Nog geen veertig, ik ben op mijn top. De discobol draait zijn rondjes en stuurt flitsen van licht door de vochtige, donkere damp boven de dansvloer. De DJ zet die Alter Ego remix in van All I Ever Wanted, een ondergewaardeerde kraker van Human League. Ja, het moet die avond van die Noor zijn geweest. Ik ga helemaal los. Het geheim van deze dansvloer is dat je er ogenschijnlijk alleen voor jezelf moet staan, bloedserieus draaiend, kronkelend, tot je samenvalt met je bewegingen. Bezielde buitenkant. Nooit om je heen kijken, overal in het donker doemt dezelfde vraag op. Halverwege het nummer geef ik de muurbloempjes waar ze op wachten: langzaam trek ik de rand van mijn T-shirt omhoog en laat het katoen over mijn sixpack, mijn bezwete borst en mijn schouders naar boven glijden, om het dan met een laatste ruk boven mijn hoofd te zwaaien en, zonder een beat te missen, door een lus in mijn broek te trekken.

Natuurlijk zie ik hem – iedereen ziet hem, die breedgeschouderde Viking in zijn hagelwitte T-shirt en leren broek – hoe hij mijn kant op danst, zijn ogen schotels, ze lopen over. Ik kijk niet, ik dans. De basdreun wekt vulkanen, wellust druipend langs mijn lijf, pure feromonen, hij raakt mijn arm. Mijn drift op hol, ik wil ZWETEN DANSEN NEUKEN VECHTEN. Ik grijp zijn nek en dwing mijn tong naar binnen, meng ons speeksel, slik het door, gulzig, draai hem mijn rug toe: we dansen. Zijn tong die mijn schouder likt, mijn zweet proevend. Ok dan, jochie. Ik neem dat kortgeschoren haar, dat Noorse neusje, duw het klemvast onder mijn oksel en leid hem de dansvloer af. Hoor ik iemand juichen, als we door de bange buitenlinies breken?

Negentien. Toonbeeld van Vikingdom maar van binnen een tam konijn: zodra je er een wortel voor hing begon hij braaf te knabbelen. Marinier met weekendverlof in Amsterdam, maar van de stad heeft-ie weinig meegekregen. Sommige clichés zijn precies wat ze beloven. Maandagmorgen vroeg droeg ik de kleine verzadigd terug naar zijn schip. Smachtend volgeschreven vellen papier volgden, van boven de poolcirkel zelfs: ‘laying here in a smelly tent with twenty men, only the thought of you keeps me warm…’ Maandenlang dropen er tranen uit zijn brieven. Sommige herinneringen zijn niet voor herhaling vatbaar, schreef ik terug. Laatst googelde ik hem, hij heeft een hoveniersbedrijf bij Oslo.

De magie dat iemand geil wordt, gewoon door naar jou te kijken, je aan te raken. ’s Nachts wakker worden doordat een stijve lul tegen je kont aanduwt. Die onstilbare drang om iemand helemaal op te vreten. Neuken alsof er nooit meer een nieuwe dag zal aanbreken. Het pure plezier ervan. Wanneer hebben Peter en ik voor het laatst naakt geslapen? Nog zo’n moment dat niet precies te vangen is. Met de jaren nemen de overwegingen toe. Details groeien in gewicht. Dingen beginnen te kriebelen. Borsthaar wordt grijzer, stugger. Je krijgt het eerder koud. Het sluipt er gewoon in, in je bed, tussen jou en je partner. Katoen: we dragen tegenwoordig een pyjamashort en een shirt. Ouder worden is een overwinning van de geest op het lichaam, maar dan zonder dat er iemand juicht. Wat je leert is om over je lichaam heen te lullen.

Tom Kniesmeijer – glansverlangen

Wie droomt er niet van: vijfentwintig jaar jonger wakker worden en opnieuw student zijn. Weer even door de stad paraderen in zo’n lekker strak velletje. Mag ik er op wijzen dat de huidige lichting er nogal eenvormig uitziet? Met die rechtgetrokken gebitten, die glanzend gezonde gezichtjes. De meisjes met lange manen en de jongens allemaal het baardje en de harde scheiding. Ze zijn zo nadrukkelijk geoptimaliseerd. Wij waren warriger. Niemand verdiende nog, maar we hadden de vrijheid veroverd, losgebroken uit provincie, geloof of de wurgende combinatie ervan. Ze zijn heus knap hoor, deze jonkies. Maar er is een groot verschil tussen knap en aantrekkelijk. Dat zit in de woorden opgesloten. Knap. Een klank onder druk. Knap is wat een ballon doet als je erin prikt. Er blijft niks over dan wat losse lappen. Aantrekkelijk is een dansje op zich. Je kunt het zo lekker rekken, door de pauzes tussen de lettergrepen te benadrukken, er is altijd weer een ander stukje dat de aandacht vangt. Je stapt er in, trekt het aan, met de bedoeling er nooit meer uit te komen. Knap blijft op kijkafstand, een kunstwerkje aan de muur. Te knappe mensen missen de urgentie die seks zo overrompelend maakt. Ze zien er zo afgerond uit dat ik er geen ingang in kan vinden, geen houvast, of, beter gezegd, geen haakje waaraan ik mijn geilheid kan ophangen. Wat in hun volmaaktheid ontbreekt is de begeerte die een appel met een plekje losmaakt. Ja, zelfs de doodsdrift die zo bij seks hoort gloort volstrekt vanzelfsprekend aan het einde van het woord aantrekkelijk. Hier lig ik, vreet me op, snel. Morgen ben ik rot.

Verderop, net iets los van de tafeltjes op het terras, staan twee frisse verschijningen te flirten. Mijn blik zuigt zich vast aan hun verlangen. Zoals die ene daar staat, leunend op een vensterbank. Als je goed kijkt zie je dat het helemaal niet zo’n gemakkelijke positie is. Hij moet er zijn lichaam voor verdraaien. Maar in deze houding kan hij wel, zonder dat het er al te nadrukkelijk uitziet, spelen met de krul die hij, net voordat de ander de hoek om kwam, over zijn voorhoofd drapeerde. In mijn tijd zou hij een sigaret opgestoken hebben. Hij heeft een lichtblauw T-shirt aan, op een donkerblauwe Adidas trainingsbroek. Zelfs zijn witte gympen hebben een blauw randje bij de hiel. De andere jongen, kleiner, staat militaristisch rechtop. Hij draagt een wit shirt met zwarte Adidasstrepen op een short in de omgekeerde kleurstelling. Douze points voor styling, boys. Nu maar hopen dat er voorbij die uiterlijkheden ook nog wat te beleven valt.

Vroeger waren ze korter, die shorts. Glanzender. Dat Franz Beckenbauer voorbij zou komen rennen, daar hoopten wij op, tijdens Studio Sport. Of Johan Neeskens. Die gespierde billen in dat strakke broekje. En dan maar wachten totdat er een doelpunt viel en de camera inzoomde. Op zolder heb ik nog zo’n short liggen, lichtblauw, met een geweldige glans eroverheen. Misschien had ik die moeten aandoen. Zouden deze jongens dan wel naar me kijken? Ik neem een slok koffie en onderdruk de neiging om langs ze te lopen en mijn beker uit te gieten over die al te witte schoenen.

Wat ik zou willen is dat ik er hier ter plekke een stijve van kreeg, van de aanblik. Maar dat lukt niet meer zo makkelijk. En zij? Komt er al iets in beweging? Niets zo prikkelend als een glooiende bobbel in een sportbroekje. De opwinding zit nu nog in hun hersens. Ze dansen om elkaar heen, met woorden, blikken, kleine gebaren. Een dansje voor het paren voeren ze op. Pure chemie. Aan-trek-ke-lijk. De verwachting, de hoop, het vooruitzicht op mooiere momenten, geilere momenten, later vandaag, vanavond, vannacht, morgenochtend in bed en, waarom niet, ook de dag erna, het zit er allemaal al in. Het opwindende zoeken naar wat de ander lekker vindt, de variaties die mogelijk zijn. Ze zullen grijpen, grabbelen, zuigen, trekken, in hun haast om klaar te komen. Pas na een keer of wat zullen ze gaan graven, naar diepere voldoening bij elkaar, in elkaar. Krijg ik nou alsnog een stijve?

Tom Kniesmeijer – glansverlangen

Verdorie. En nu beginnen mijn ogen alweer te tranen. Die verdomde zon ook.